mv1

“Hé Thomas!”

Ik kijk naar links waar de amicale kreet vandaan komt. Ik zie, op het basiskamp van de organisatie van Tour du ALS, een sympathiek gezicht en een uitgestoken hand. “Thomas, jongen, leuk je te zien, man! Hoe gaat het?”

Ik schud de hand met hetzelfde enthousiasme, sla met mijn andere hand op z’n mouwloze schouder en voor ik het weet krijg ik mijn eigen boek in handen gedrukt. “Zet je er wat moois in?” Tuurlijk doe ik dat. Ik vind het zelfs een enorme eer. Na een ferme krabbel en een innige omhelzing loop ik door. Paul, mijn fietsvriend met wie ik deze dagen in Bedoin verblijf om de Mont Ventoux te beklimmen, voor mensen met de vreselijke ziekte ALS, kijkt me aan.

Wie was dat? vraagt hij.

“Geen idee. Ken hem niet.”

Paul proest het uit.

“Je kent hem niet? Het leek wel alsof jullie al jaren bevriend zijn.”

“Nee joh. Ongetwijfeld hebben we via facebook of twitter wel eens contact gehad, maar ik zou niet weten hoe hij heet. Bijzonder is het wel.”

Paul vindt het onvoorstelbaar en stuurt een whatsapp bericht naar onze Bussumse fietsgroep.

“Hou hem een beetje in de gaten’, schrijft teamcaptain Ruud terug, ‘hij mag niet blasé worden.”

Ik loop intussen verder en hoor iemand bij een kraampje de naam Nathalie zeggen. Ik realiseer me ineens dat ik een paar dagen terug via twitter contact had met Nathalie van ALS en dat ze zo op zag tegen de lange autoreis. Ik had haar daarom een boek beloofd. “Ben jij die Nathalie die bang was zich te vervelen onderweg?”

“Ja”, zegt ze.

Ik pak een boek uit m’n rugtas en ze vraagt of ik er wat in wil zetten. Op dat moment komt Paul aanlopen. Schudt het hoofd. Maakt een foto en stuurt die naar het thuisfront. “Mannen  kijk nou, groupies!’

Hilariteit alom. Als ik het terrein afloop word ik weer aangeschoten.

“Thomas Braun?”

Ik knik en lach naar Paul. Hij loopt weer hoofdschuddend weg. De man stelt mij voor aan zijn dochter. Of we met z’n drieën op de foto mogen. Mogen? Natúúrlijk. Hoeveel mensen maken dit nou mee? Ik geniet van dit soort momenten. De dochter zegt dat ze morgen de Mont Ventoux drie keer wil beklimmen. “Voor mijn moeder. Die is vorig jaar aan ALS overleden.” Slik.

Paul en ik gaan terug naar het dorp. Even pinnen. Bij de automaat staan twee mooie meiden. In strak wielertenue. Achter strakke zonnebrillen. Paul zegt: “Als die wijven jou kennen, vreet ik m’n fietspomp op.”

Ik speel het spel bluffend mee. “Kom, we gaan naar ze toe, ik zeg dat ik Thomas Braun ben, gaan ze zó met ons mee…!”

We lachen allebei. Heerlijke flauwekul. Een van de twee kijkt op. “Thómas!!!” Paul slaat met zijn hoofd tegen de muur. Het is Heidi. Heel toevallig de enige deelneemster aan dit evenement die ik écht ken, maar nu pas herken. We omhelzen elkaar innig. Paul slaat direct aan het whappen.

Op de berg is het een dag later over met de lol. Ik wil hem ook drie keer beklimmen. De derde keer is het zwaarst. We fietsen een tandem voorbij met achterop een vrouwelijke ALS-patiënt. Voorop zit een man. “Braun!!!” roept hij.

O jee.

Hij is geen fan, geen groupie, hij wil ook geen boek, geen handtekening. Het is Harrie, een goede vriend, en hij wil dat ik meehelp duwen. Ik zit al stuk, maar kan geen nee zeggen, zeker als ik naast de vrouw achterop – ze heet Marieke – rijd en we meteen lol hebben. Een lach en een traan, zo gaat dat op zo’n evenement. Tot drie keer toe help ik de tandem al fietsend 500 meter omhoog duwen, terwijl het inmiddels 28 graden is en ik al twee keer die verschrikkelijke berg heb bedwongen. Na die derde keer duwen kan ik niet meer. Uiteindelijk kom ik boven. Alleen. Uitgeput. Jankend. Heidi komt op me af. Omhelst me.

Mensen, waar heb ik dit prachtige leven aan te danken? MV2